Geachte bezoeker,

Het nieuwste boek van Marc Reynebeau ‘Een geschiedenis van België’ werd door Ludo Dierickx met grote aandacht gelezen. Hij maakt de hierna volgende kritische bedenkingen. Het zou mooi zijn kon dit boek aanleiding zijn tot een discussie over de relatie tussen geschiedenis en politiek. Moet de geschiedkundige kritisch staan tegenover het politieke ideeën, van vroeger en vandaag?

Wij zijn dankbaar voor elke reactie

B Plus vzw

‘Een geschiedenis van België’ en de macht van het gangbare discours

Het boek ‘ Een geschiedenis van België ‘ van Marc Reynebeau is vlot geschreven en aangenaam te lezen. Hij beschrijft de evolutie sinds 1830, (‘België is volgens Reynebeau geen toevallige of artificiële staat ‘ p. 9) tot op heden. De auteur wenst de ontmanteling niet, maar hij beschrijft ze en voorspelt dat er van België in de EU niet veel zal overblijven, slechts een dun laagje in de identitaire lasagne. Het boek is niet tegen België maar van de ideeën van de Vlaamse en Waalse nationalisten wordt er geen enkele aangevochten. Op pagina 10 schrijft Reynebeau eerlijk waarom geschiedenis niet objectief kan zijn: ‘Er komt altijd een keuze aan te pas.’

Het is interessant de lijst op te stellen van sleutelbegrippen die in de geschiedenis van België een rol hebben gespeeld en waaraan m.i. door de historicus Reynebeau, met goede redenen wellicht, bijna
geen (kritische) beschouwingen worden gewijd. Bij het hanteren van deze begrippen blijft hij binnen de perken van het gangbare politieke discours.

Reynebeau heeft het over de staatkundige onafhankelijkheid (van België, van Congo,van Vlaanderen) over zelfstandigheid, zelfbestuur, zelfbeheer (zelfbeschikkingsrecht) federalisme, confederalisme, bondsstaat,statenbond zonder vragen te stellen over de betekenis en de geldingskracht van deze begrippen in de twee vorige eeuwen en vandaag, zonder bedenkingen te maken betreffende de betekenis van deze begrippen voor de democratische en sociale relaties tussen de mensen, voor de efficiëntie van het bestuur,voor de tussenstaatse rechtsorde en de vrede. Het zelfbeschikkingsrecht en de soevereiniteit zijn in talloze gevallen de hinderpalen voor het realiseren van vooruitgang. Dat in een confederale structuur van onafhankelijke (deel)staten de democratische besluitvorming vervangen wordt door ondemocratische diplomatieke besluitvorming tussen regeringen wordt niet besproken

Reynebeau heeft het over het nationalisme, dat de emotionaliteit in de politiek promoveerde , over de verschillen tussen de twee Belgische gemeenschappen, die in essentie economische waren en splitsingen onafwendbaar maakten, over de taal als criterium voor solidariteit en
machtsafbakening (ook in domeinen die met taal niets te maken hebben zoals sportfederaties, muziek en dans, ziekteverzekering…) zonder te vragen of de zaken vandaag en in een Europees perspectief niet anders moeten worden bekeken. Welke verschillen tussen mensengroepen wettigen splitsingen van democratische en sociale stelsels? Een vraag die in de loop van de Belgische geschiedenis nuttig wordt gesteld.

De begrippen identiteit, nationale identiteit, identiteitsgevoel komen in het boek vaak voor, maar zonder dat er wordt bemerkt dat dit politiek beladen en misbruikbare begrippen zijn. ‘Identität ist eine politische Vokabel.’ Heeft de niet ‘definieerbare’culturele identiteit behoefte aan een staat om verdedigd te worden of heeft een staat een culturele identiteit nodig om te bestaan en zich te onderscheiden? Rechtvaardigt nationale ‘eigenheid’ het ijveren voor eigen regering, eigen wetten, eigen gezondheidsbeleid, eigen luchthaven, eigen leger, eigen collectief egoïsme? Deze begrippen liggen verlokkend in elkaars verlengde.

Andere begrippen komen aan bod: democratie en democratisering, het ‘breed ideologisch programma’ van het flamingantisme, de ‘Kloof’ tussen burger en politiek die moet worden gedicht, vaderlandsliefde en patriottisme, etniciteit (de etnisch ingevulde idee van het volk), volksaard, zonder dat wordt nagegaan of deze begrippen vandaag nog aan de basis liggen van het politieke denken..

Het is natuurlijk de taak niet van de historicus gelijktijdig filosoof en politicoloog en jurist te zijn. Maar mag hij de termen van het gangbare discours onaangeroerd en onbesproken doorgeven? Waar moet hij terloops of systematisch bedenkingen maken. Betreffende de monarchie maakt Reynebeau er wel tamelijk veel.

De monarchie en de andere instellingen

De rol van de monarchie in de Belgische besluitvorming wordt door de auteur kritisch besproken, de andere instellingen laat hij praktisch buiten beschouwing. Hij spreidt zijn kritiek in een vlotte schampere stijl over meerdere pagina’s o.a. van pagina 367 tot 378.
‘Boudewijn bleef in zijn toespraken hameren op de noodzaak van samenwerking en harmonie, op de kracht van de eenheid en de rijkdom van de culturele verscheidenheid…omdat de toekomst van het familiebedrijf op het spel stond.’ … ‘De vaderlijk vermanende Boudewijn toonde zich veleer een man van de neogothiek dan van het postmodernisme.’ (p. 372) Reynebeau oefent kritiek uit op het machtsmisbruik van Boudewijn bij de keuze van ambassadeurs en ministers en in de abortuskwestie. Hij heeft het over zijn relaties met Franco en Mobutu. Op p. 348 schrijft hij dat de monarchie slecht was voor het behoud van de eenheidsstaat. Een president was beter geweest.

Aan de andere Belgische instellingen o.a. deze die ontstonden onder druk van nationalisten, federalisten, confederalisten en separatisten worden geen kritische beschouwingen gewijd, noch aan de manier waarop ze in regeringsonderhandelingen werden ontworpen, noch aan hun betekenis voor de efficiëntie van het bestuur, de democratie, de sociale solidariteitsrelaties tussen de burgers. De gewesten en gemeenschappen kunnen met hun vetorechten blokkeren, chanteren en eenzijdig macht uitoefenen, heel wat meer dan de koning. Alles wordt gesplitst op basis van de taal, alles moest eentalig worden: de universalistische partijen, hun fracties ( zelfs in de hoofdstad van de EU ) de parlementen, de administraties, morgen de ziekenfondsen en de vakbonden. Reynebeau zegt geen woord over departementen die werden gesplitst zonder vraag van de betrokkenen o.a. Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Is het niet gewenst na te denken over nationalisme en zelfbeschikkingsrecht in een Europees perspectief? Zelfs wanneer Reynebeau vaststelt dat het Belgisch model succes had in het buitenland, in Israel en de toenmalige Sovjet-Unie.
Genoemde en andere begrippen die in het boek voorkomen moeten kritisch worden bekeken, niet in het belang van de Belgische staat maar in het belang van Europa en de wereldgemeenschap waarin de opiniemalers tijdig met de geldingskracht van vermelde begrippen moeten worden geconfronteerd. België zou zo een mooi oefenterrein kunnen zijn.

Ludo Dierickx

Een geschiedenis van België, 448 p.
uitg. Lannoo 2003