Tijdens de verkiezingen werd een splitsing van justitie nauwelijks besproken. Er werd geen debat over gevoerd, en de kiezer werd nooit gewaar dat dit op de agenda stond. Het onderwerp kwam plots en onverwacht ter sprake tijdens de regeringsonderhandelingen.

Bij de onderhandelingen inzake een splitsing van justitie stellen we vast dat de Vlaamse partijen vertrekken van uit het axioma ‘hoe meer hoe beter’. De franstalige onderhandelaars planten hun hielen in het zand en proberen de splitsing zoveel mogelijk af te remmen.

Geen der partijen verklaart waarom. De Vlaamse partijen verklaren niet welk Vlaams justitiebeleid ze hopen te voeren, en in welk opzicht dit zou verschillen van een belgisch of een waals beleid.

De franstalige onderhandelaars verklaren niet waar ze schrik van hebben, of waarom een (gedeeltelijke) splitsing een probleem zou zijn.

Beide attitudes lijken dan ook even irrationeel, en zuiver ingegeven door ideologische, eerder dan practische overwegingen.

Het splitsen van (delen van) justitie mag geen taboe zijn. In veel federaties oefenen de deelstaten bepaalde bevoegdheden inzake justitie uit. Vaker wel dan niet bestaan er regionale rechtbanken naast de federale rechtbanken. Er is dus geen onoverkomelijke hinderpaal die een gedeeltelijke splitsing van justitie in de weg staat.

Anderzijds kan men zich de vraag stellen wat het nut is van een splitsing. De nationalisten beschouwen iedere splitsing per definitie als positief, doch hierbij worden sommige valse argumenten aangehaald.

De twee voornaamste argumenten zijn :

– Er zou een verschillende ‘juridische cultuur’ zijn in Vlaanderen en Wallonië.

– Justitie zou een slecht functionerend departement zijn, dat dringend aan hervorming toe is.

De nationalisten stellen vaak dat er een verschillende ‘juridische cultuur’ zou zijn tussen de Franstalige en Nederlandstalige magistraten, die geen aandacht meer zouden hebben voor elkaars rechtspraak.

Dit wordt als argument vaak naar voor gebracht, doch nooit uitgewerkt, laat staan bewezen. Men laat na aan te tonen waarin die verschillen zouden bestaan.

Evenmin toont men aan dat het huidige systeem te rigide zou zijn om aan die verschillen tegemoet te komen. De arrondissementele Parketten beschikken nochtans over een verregaande bevoegdheid om een eigen strafrechtelijk beleid uit te werken. De zetelende rechters worden in hun vrijheid om te oordelen slechts beperkt door de wet. Het is evident dat een landelijk kanton andere problemen kent dan een grootstad, maar ook vandaag is het reeds mogelijk lokale accenten te leggen in het beleid.

De nationalisten suggereren ook vaak dat de regionalisering een oplossing zou bieden voor de – vermeende of echte – disfuncties bij justitie.

De bevolking en de pers zijn sterk geïnteresseerd door Justitie, en problemen worden snel voorpaginanieuws. Op twee uitzonderingen na wordt evenwel niet aangetoond dat justitie in het algemeen slechter zou werken dan andere federale of regionale administraties die minder persaandacht krijgen.

In vergelijking met andere departementen kamp justitie met twee grote problemen : de informatisering en de detentiecapaciteit.

De informatisering van justitie
is ontegensprekelijk een puinhoop, zelfs wanneer men die niet met de privé-sector maar met andere administraties vergelijkt. Dit is niet de fout van één minister : de problemen zijn twee decennia oud.

De vraag stelt zich of dit probleem door een regionalisatie niet nog erger zal gemaakt worden. Zal men de achterstand niet drie keer moeten inhalen? Zullen de nieuwe systemen van de drie gewesten met elkaar compatibel zijn?

De problemen inzake strafuitvoering en detentiecapaciteit zijn eveneens oud. Het bouwen van nieuwe gevangenissen werd jarenlang verwaarloosd, om zowel budgettaire als ideologische redenen. Na de zaak Dutroux werd prioriteit verleend aan de uitvoering van lange straffen. Hierdoor was er simpelweg geen capaciteit meer om de korte gevangenisstraffen uit te voeren. Alternatieve sancties werden ingevoerd om dit te verhelpen (werkstraffen, enkelbandjes), doch ook daar kampen we thans met wachtlijsten.

Dat deze problemen NIET opgelost zullen worden door een splitsing, is geen speculatie maar een zekerheid. Er is namelijk een berucht precedent : de bijzondere jeugdzorg.

De opvang van minderjarige delinquenten is sinds decennia een bevoegdheid van de gemeenschappen. De problemen inzake plaatsgebrek en wachtlijsten zijn zo mogelijk nog erger dan in het federaal systeem. Dit geldt zowel voor Vlaanderen als voor de Franse gemeenschap. Vlaanderen is er nooit in geslaagd een ander, laat staan beter beleid in te voeren.

Splitsen met een meerwaarde ?

Terwijl men zich ernstige vragen kan stellen bij een diepgaande splitsing, is het toch mogelijk om bepaalde beleidsdomeinen op te noemen, die op een zinvolle wijze gesplitst kunnen worden.

In de meeste federaties zijn er regionale rechtbanken om regionale wetgeving toe te passen, en federale rechtbanken voor de federale wetgeving. In de V.S. zijn er zelfs federale en regionale politiediensten en gevangenissen.

Dit is niet het model dat thans gesuggereerd wordt voor een geregionaliseerde justitie. Men spreekt immers over een regionalisering van alle rechtbanken tot en met het Hof van Beroep. Alleen de hoogste rechtbanken, namelijk het Hof van Cassatie, het grondwettelijk hof en de Raad van State zouden federaal blijven.

Dit model lijkt weinig logisch en is op een zuiver nationalistische logica gestoeld. Het lijkt logischer om homogene paketten na te streven, waarbij de gewesten bevoeg zouden worden voor een ketting van bevoegdheden in één domein. Hieronder doen wij enkele suggesties.

 

De financiering van de erediensten zit om historische redenen bij de Fod Justitie, maar kan moeilijk als een ‘kerntaak’ beschouwd worden. Dit kan als een ‘persoonsgebonden materie’ beschouwd worden en komt dus evt. in aanmerking voor een communautarisering.

De internering van geesteszieke misdadigers, alsook de gedwongen opname (collocatie) van geesteszieke personen is een problematiek die nauw aanleunt bij de gezondheidszorg. De gemeenschappen zijn immers nu reeds verantwoordelijk voor opvang van personen met een mentale handicap. Dit is ongetwijfeld een van de domeinen waar een splitsing de grootste meerwaarde zou kunnen brengen. Door alles onder één autoriteit te verenigen, kunnen de personen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke maatregel gemakkelijker doorstromen naar de reguliere gehandicaptenzorg.

De Politierechtbanken worden hoofdzakelijk gevat met dossiers inzake verkeersinbreuken. De gewesten zijn thans reeds bevoegd voor verkeersbelasting en voor de wegeninfrastructuur. Volgens de huidige plannen zouden ze ook bevoegd worden voor het verkeersreglement, voor verkeersveiligheid en voor het verkeersboetefonds. Een regionalisering van de politierechtbanken zou dit pakket vervolledigen. Hierbij kan ook gedacht worden aan de provinciale verkeerseenheden van de Wegpolitie. Evenwel moet men er over waken dat de hervorming geen negatieve nevenwerking heeft, bijvoorbeeld in taalgrensoverschrijdende dossiers (Walen die verkeersinbreuken plegen in Vlaanderen en omgekeerd).

De Vrederechters zijn hoofdzakelijk gelast met materies die vandaag nog federaal zijn, maar waarvan de splitsing wordt voorgesteld. Het betreft ondermeer de huur- en pachtwetgeving en de voogdij over geesteszieken. Een regionalisering van de vredegerechten kan daarom overwogen worden, doch dit dient bekeken te worden in een groter geheel.

De Raad van State is bevoegd voor de toepassing van het administratief recht. Onder dit administratief recht vallen heel wat materies die vandaag reeds geregionaliseerd zijn. Het betreft hoofdzakelijk de problematiek van stedenbouw en milieuvergunningen. Ook zijn er de geschillen inzake statutaire ambtenaren van gewestelijke en lokale overheden.

In het kader van een hervorming zouden de gewesten en / of gemeenschappen de mogelijkheid kunnen krijgen om administratieve rechtbanken van eerste aanleg op te richten. De Raad van State zou dan een beroepsinstantie zijn.

Het splitsen van andere rechtbanken lijkt weinig zinvol, nu de wetgeving die zij zullen toepassen federaal blijft. De correctionele rechtbanken en hoven van assisen, met de bijhorende parketten en parketten-generaal, passen het (federale) Strafwetboek toe. Tenzij men het volledige strafrecht zou willen splitsen, zal een regionalisering van deze rechtbanken weinig meerwaarde bijbrengen. Het zou zelfs de kiemen kunnen bevatten van nieuwe bevoegdheidsbetwistingen. Ook riskeert men schaalvoordelen kwijt te spelen door op een kleiner terrein te werken. Grenzen zijn voor criminelen een schuilplaats, voor magistraten een hinderpaal.

Dringt een splitsing van het gevangeniswezen zich op ? Gevangenisdirecteurs zitten nu al in de incomfortabele positie dat zij niet kunnen beslissen hoeveel veroordeelden aan hun instelling worden toevertrouwd. De bestaande problemen zouden enkel verergerd worden in een systeem waar federale magistraten de instroom bepalen, terwijl regionale ambtenaren het aantal cellen bepalen. Indien men tot een splitsing overgaat, dienen minstens ook de strafuitvoeringsrechtbanken in het pakket begrepen te worden. Zelfs dan blijft het een moeilijk vraagstuk.