Frédéric Amez
Frédéric AmezBestuurslid

Kort voor de verkiezingen van 26 mei 2019 publiceerde Bart De Wever, voorzitter van de N-VA, een essay met de titel “Over Identiteit”. De pers heeft een zekere ruchtbaarheid gegeven aan deze publicatie en de auteur heeft zelfs van deze media-aandacht gebruik gemaakt om bij zijn post-electoraal bezoek aan de Koning een exemplaar van dit boek aan het Staatshoofd te schenken.

‘Over Identiteit’ is een samenvatting van de ideeën van de N-VA-voorzitter over de collectieve en nationale identiteiten en over de manier waarop inwijkelingen opgevangen en geïntegreerd moeten worden. Het verbaast ons niet dat hij hierbij het cultureel relativisme betreurt evenals de neiging tot zelfkastijding die men in Europa aantreft; dit alles verhindert het ontstaan van gedragscodes die kunnen opgelegd worden aan de minderheden van de recente immigratie.

Afzwakken van Belgische identiteitsgevoel ten voordele van het Vlaamse is niet toevallig gebeurd.

Zijn mening over het gebrek aan zelfrespect van de Europeanen doet ons onwillekeurig denken aan het standpunt van de Fransman Pascal Bruckner in zijn boek “La tyrannie de la pénitence” (De tirannie van de boetedoening). Als besluit pleit De Wever voor het vastleggen van enkele basisprincipes die in de publieke sfeer moeten toegepast worden en die teruggaan tot de Verlichting; deze principes zijn een waarborg voor de individuele vrijheid en passen in een geheel van regels zoals de gendergelijkheid en de scheiding van kerk en staat. Hij is de mening toegedaan dat de cultuur van de Verlichting in Vlaanderen en Europa de ‘leidcultuur’ dient te zijn.

Afgezien van de mening van Bart De Wever over immigratie en integratie, is het opmerkelijk in welk verband hij dit alles plaatst: Vlaanderen en Europa. Het Belgisch niveau wordt niet in een handomdraai afgehandeld maar dan toch niet op een afdoende manier. Volgens de auteur heeft de Belgische identiteit de laatste decennia zovele concessies moeten doen aan de regionale en communautaire identiteiten dat zij alleen maar een beperkte symbolische betekenis heeft en niet langer een realiteit is.

De gemeenschappelijke taal en media die samenvallen met eigen politieke instellingen creëren voortaan in Vlaanderen een ruimte die niet louter symbolisch is maar ook een realiteit vormt waarbinnen een collectieve identiteit ervaren wordt. Voor de auteur is het een vaststaand feit dat ook de integratie van de immigranten dient te gebeuren op Vlaams niveau. Het is ook in die ruimte dat zij zullen opgenomen worden door middel van het opgelegde regels van het integratie-proces. Over dit proces leest men alleen maar lofbetuigingen, dit vooral omdat Vlaanderen zoveel middelen ter beschikking stelt voor het aanleren van haar eigen taal aan de inwijkelingen. Het aanleren van de taal wordt voorgesteld als een sine qua non voorwaarde om opgenomen te worden in de ontvangende gemeenschap.

Het gaat hier ongetwijfeld over een goed onderbouwd essay. De auteur stelt het voor alsof het ontstaan van de Vlaamse identiteit ten nadele van de Belgische het gevolg is van een ingewikkeld historisch proces. De historicus die hij is geeft zonder meer toe dat het Vlaams gevoel een product is van de Belgische nationale constructie. De versterking van deze identiteit wordt voorgesteld als zijnde voltrokken of toch bijna gerealiseerd; de auteur vermeldt dit feit alsof hij een niet-betrokken buitenlandse observator zou zijn. En daar wringt hier het schoentje. Bart De Wever is immers geen gewoon observator van de opbouw van de Vlaamse identiteit.

Hij is geen lambda-burger die een totaal passieve getuige is van dit proces. In zijn hoedanigheid van voorzitter van de grootste partij van Vlaanderen speelt hij een actieve rol bij het versterken van de Vlaamse identiteit (of wat hij hieronder verstaat) ten nadele van de Belgische identiteit. Hij is een van de belangrijkst promotors van de Vlaamse identiteit als tegenstelling tot de Belgische identiteit of minstens een aftakelen ervan. Zijn mening is immers geen neutrale vaststelling van een feitelijk gegeven maar de beschrijving van een proces waarin de auteur zelf een actieve rol speelt. De publicatie van “Over Identiteit” is dan ook een bijdrage tot dit politieke project.

Om dit te illustreren geven we hier enkele voorbeelden. Het invoeren van een federale kieskring wordt voorgesteld als een poging om de Belgische identiteit te promoten. De auteur zegt er niet bij dat hij als politiek leader zich heftig verzet heeft tegen dit voorstel en hij zegt er ook niet bij dat het proces van het uiteenvallen van België, dat hij als een natuurlijke evolutie beschouwt, voor een deel te wijten is aan zijn eigen actie. De auteur beroept zich ook op het feit dat door de overdracht van de bevoegdheid betreffende het onderwijs naar de Gemeenschappen de universiteiten er niet langer in slagen aan België de tweetalige elite af te leveren die het nodig heeft. De auteur zegt er niet bij dat zijn partij zich hardnekkig verzet tegen het oprichten van tweetalige scholen in het Brussels Gewest wat zeker van aard is de problemen te bemoeilijken.

In verband met de Vlaamse identiteit beweert Bart De Wever dat de kennis van de Nederlandse taal hiervan een belangrijk onderdeel is. Hij geeft hierbij toe dat dit in het verleden niet altijd het geval was toen het mogelijk was zich Vlaming te noemen en tegelijk Franstalig te zijn. Deze duidelijke stellingname zegt genoeg over het verschil tussen de door de auteur gewenste identiteit enerzijds en wat zij in werkelijkheid is anderzijds. Het gaat hem hier immers niet over een vaststelling maar wel over een pleidooi voor de Vlaamse identiteit zoals ze gedacht wordt door de voorzitter van de N-VA, verenigd rond de Nederlandse taal maar verschillend van de Nederlandse identiteit. Op dezelfde manier worden de identiteits-bevorderende Belgische symbolen bewust geminimaliseerd, zelfs belachelijk gemaakt en herleid “tot de chocolade, tot Manneke-Pis, het Atomium, de Rode Duivels, al verwijst hij op ook naar de televisie-serie F.C. De Kampioenen als zijnde een belangrijke bijdrage tot het bevorderen van het Vlaamse identiteitsgevoel.”.

Door de evolutie van de identitaire gevoelens voor te stellen als het resultaat van een historisch proces vol toevalligheden kent men weinig belang toe aan de rol van de politieke actie op dit domein. De taal is zeker een niet te ontkennen factor bij het tot stand komen van de eigen identiteit. En omgekeerd is de keuze voor het bevorderen van het Engels ten nadele van de tweede nationale taal een politieke beslissing die nadelig is voor het zich identificeren met België. In gans de wereld stellen we vast dat het delen van dezelfde politieke instellingen en het leven onder dezelfde wetten factoren zijn die het zich identificeren met een gemeenschap bevorderen. Het minimaliseren van de symbolen van de Belgische staat, wat de auteur doet, is zeker geen onschuldige optie. Het is immers de rol van deze symbolen het identiteitsgevoel te bevorderen binnen de gemeenschap waartoe men behoort. De Belgische vlag weghalen uit de salons van het Vlaams parlement en alleen de Vlaamse en de Europese achterlaten is als het ware vaststellen dat België niet langer meer bestaat. Dit is een politieke beslissing waarbij abstractie gemaakt wordt van een politiek niveau, alsof het Vlaamse parlement zijn bestaan en zijn bevoegdheden niet toegekend werden door de Belgische grondwet.

Onder de politieke doelstellingen wordt een belangrijke plaats ingenomen door de integratie van inwijkelingen en de wijze waarop die gebeurt. De ontvangende gemeenschap omschrijven als “Vlaams” is niet hetzelfde als “Belgisch”. Men stelt zich niet neutraal op wanneer men aan de kandidaten vraagt de geschiedenis van Vlaanderen te kennen alsof dit geen deel uitmaakt van de Belgische historie. Men maakt ook een politieke keuze wanneer men bij de integratie van inwijkeling bij voorkeur één gemeenschap voor ogen heeft in plaats van een andere. Over het maken van deze keuzes kan men bovendien zich ten gronde vragen stellen.

Zolang België volgens het internationaal recht een staat is, is het deze staat die bevoegd is om de voorwaarde vast te leggen voor het toekennen van de nationaliteit aan hen die op zijn grondgebied verblijven. Alle inwijkelingen zouden dus hetzelfde beeld van België en zijn complexiteit meekrijgen onafgezien van het Gewest waar zij terecht komen of de taal waarin zij de nodige toelichting krijgen. Dit is een andere politieke keuze die zeker evengoed te verdedigen is (onverminderd de passende verdeling van bevoegdheden tussen de federale overheid en de Gewesten).

Het boek van Bart De Wever bezorgt de lezer een eerder onbehaaglijk gevoel. Dit essay heeft zeker niet de institutionele toekomst van België als onderwerp. Maar bij zijn bedenkingen over de identiteiten vernemen we terloops wel wat de auteur denkt over België, maar dan niet als staat maar als menselijke gemeenschap; een gemeenschap die zich in een proces van uiteenvallen bevindt met steeds minder aantrekkingskracht; een gemeenschap waartegen een sterke Vlaamse gemeenschap zich opstelt, met dewelke immigranten zich gemakkelijker kunnen identificeren. De historicus en ideoloog Bart De Wever rept hierbij geen woord over wat de partij van Bart De Wever inmiddels doet: standpunten innemen en handelingen stellen die een evolutie versterken die volgens het boek een louter natuurlijk gegeven is. Het afzwakken van het Belgische ten voordele van het Vlaamse identiteitsgevoel is niet het gevolg van het toeval: het is het resultaat van een politieke actie waartoe ook de auteur van dit boek een zeer belangrijke bijdrage levert.