Ons land heeft een merkwaardig talent: met grote vastberadenheid het verkeerde probleem oplossen. Denk aan B-H-V of de Voeren-crisis en hoeveel tijd en politiek kapitaal daaraan verloren is gegaan. De hernieuwde roep om de Senaat af te schaffen is daar een treffend voorbeeld van. Het is politiek aantrekkelijk, eenvoudig uit te leggen en ogenschijnlijk efficiënt. Wie verdedigt nog een instelling die als machteloos, overbodig en duur wordt gezien? Afschaffen en doorgaan. Maar die ogenschijnlijk heldere conclusie verbergt een dieper ongemak: de Senaat is namelijk niet het probleem. Hij is het symptoom.

Circulaire logica

In de voorbije decennia is de Senaat systematisch uitgehold. Eerst verzwakt, vervolgens gemarginaliseerd en uiteindelijk irrelevant verklaard. De logica is circulair: maak een instelling zwak, constateer dat ze niet werkt, en gebruik dat falen als argument om ze af te schaffen. Dat is geen hervorming – het is een stille afbraak gevolgd door een persbericht.

De echte vraag is niet of de Senaat vandaag goed functioneert. Dat doet hij duidelijk niet. De echte vraag is of België nog behoefte heeft aan wat de Senaat moest zijn: een plaats voor reflectie, coördinatie en dialoog tussen de verschillende politieke realiteiten en gemeenschappen van het land. Want hier zit de ongemakkelijke waarheid: België lijdt niet domweg aan een teveel aan structuren, maar aan een gebrek aan samenhang en efficiëntie in die structuren.

We hebben een federaal systeem opgebouwd van grote complexiteit, waarin verschillende parlementen parallel wetgeving maken, vaak zonder echte coördinatie. Beleidslijnen overlappen, spreken elkaar tegen of drijven gewoon uiteen. En toch staan we op het punt om, in plaats van coördinatie te versterken, een van de laatste institutionele ruimtes die daarvoor bedoeld was – hoe onvolmaakt ook – te schrappen. De Senaat afschaffen zal België niet vereenvoudigen. Het zal enkel een spiegel wegnemen waarin onze versnippering zichtbaar wordt.

Marginaal

Voorstanders wijzen vaak op de kostprijs. Maar de besparing is, in het beste geval, marginaal en vooral symbolisch. De infrastructuur blijft bestaan, de partijfinanciering verschuift en het systeem blijft draaien. Als dit een budgettaire hervorming is, dan is ze opvallend inefficiënt.

Anderen stellen dat een tweede kamer overbodig is in een moderne democratie. Maar bijna alle andere federale systemen – van Duitsland tot de Verenigde Staten (alleen Venezuela en de VAE, niet echt democratische uitblinkers, doen het met slechts één kamer) – behouden net zo’n kamer, omdat democratie niet alleen draait om snelheid. Het gaat om evenwicht en balans. Beslissingen net genoeg vertragen om ze beter te maken. Zorgen dat machtsniveaus niet alleen naast elkaar bestaan, maar ook echt met elkaar interageren.

België lijkt, paradoxaal genoeg, de omgekeerde richting uit te gaan: minder gestructureerde dialoog en (nog) meer fragmentatie.

Nog veelzeggender is hoe het debat wordt gevoerd. Het voorstel om de afschaffing van de Senaat te koppelen aan het grondwettelijk verankeren van het recht op abortus illustreert een bredere tendens: institutionele hervorming als ruilmiddel. Twee dingen die niets met elkaar te maken hebben – ethische kwesties en staatsstructuur – worden samengebracht, onderhandeld en uitgewisseld. En de inhoud komt op de tweede plaats. Zo bepaalt een staat zijn fundamenten niet, zo beheert hij zijn blokkeringen.

Rookgordijn

Misschien is dat wel het meest verontrustende aspect. Het debat over de Senaat dreigt een handig rookgordijn te worden – een politieke “overwinning” op korte termijn, die de echte vragen vermijdt. Hoe maken we het Belgische federalisme coherenter? Hoe herstellen we vertrouwen tussen de verschillende bestuursniveaus? Hoe creëren we ruimtes waar meningsverschillen leiden tot synthese in plaats van stilstand? Hoe zorgen we er met andere woorden voor dat het land beter en efficiënter wordt bestuurd en georganiseerd?

De Senaat afschaffen beantwoordt geen van die vragen. Dat stelt ze alleen uit, in het beste geval. Kick the can down the road…

Er is nochtans een alternatief. Niet het behoud van de Senaat zoals hij is, maar een grondige herdenking ervan. Een echte kamer van de deelstaten, met duidelijke bevoegdheden, gericht op coördinatie, grondwettelijke kwesties en intergouvernementele dialoog. Kleiner, scherper, maar onmiskenbaar relevant, en daarbij de democratie versterkend en de inrichting van de staat vereenvoudigend.

Dát vraagt politieke moed. Afschaffen is altijd makkelijker, misschien ook mediagenieker, dan herdenken en vernieuwen.

Als we de Senaat afschaffen zonder zijn functie te vervangen, zouden we wel eens – te laat – kunnen ontdekken dat we niet zomaar een verouderde instelling hebben verwijderd, maar een van de laatste plaatsen waar België nog probeerde, hoe gebrekkig ook, als geheel te denken. En dat is geen besparing. Dat is een verlies.