Het is moeilijk om het niet te weten: eerste minister Bart De Wever heeft onlangs een essay gepubliceerd, "Over Welvaart". De vrije en onafhankelijke pers heeft het boek uitgebreid besproken. Volgens de auteur gaat het om zijn visie op de economie en op de welvaart die daaruit zou moeten voortkomen. Maar vergis u niet: achter dat sociaaleconomische kader schuilt opnieuw een Vlaams-nationalistisch pleidooi. Bart De Wever mag dan een scherp intellectueel zijn, zijn echte talent ligt wellicht in het framing: de kunst om feiten zo te presenteren dat ze een vooraf bepaalde interpretatie ondersteunen.

Industriële Revolutie

Al in het hoofdstuk over de Industriële Revolutie stuurt De Wever de lezer – subtiel maar doelbewust – in zijn eigen lezing van de geschiedenis. Hij verwijst bijvoorbeeld naar de industriesteden Gent en Verviers, “een Vlaamse en een Waalse stad” (p. 30). Nochtans weet elke historicus dat er rond 1800 noch sprake was van Vlaanderen, noch van Wallonië. Het ging toen om de Oostenrijkse Nederlanden, die door Frankrijk waren geannexeerd en later België zouden vormen.

Opmerkelijk is ook dat De Wever benadrukt dat de eerste industriële winnaars vaak Franstalige families waren (p. 34). Dat de Vlaamse elites in de 19e eeuw vooral Frans spraken, is een bekend historisch gegeven. Maar waren de Gentse elites daardoor minder Vlaams? Die nuance ontbreekt. Zo ontstaat bij minder goed geïnformeerde lezers gemakkelijk de verwarring tussen “Franstalig” en “Waal”, en dus het beeld van een door Wallonië gedomineerd Vlaanderen. De truc is echter veel te doorzichtig voor het alerte oog van B Plus, dat weet dat het geen enkele zin heeft de Walen van vandaag het gedrag van de Vlaamse elites van gisteren te verwijten.

overheidsuitgaven

De Wever besteedt veel aandacht aan de stijgende overheidsuitgaven. Volgens hem hebben die vooral één groot nadeel: ze vereisen hoge belastingen op inkomens, wat de economische groei zou afremmen. De groei van de welvaartsstaat ligt volgens hem aan de basis van dat probleem (p. 85-95).

Wat in die analyse grotendeels ontbreekt, is de impact van de opeenvolgende staatshervormingen. Door bevoegdheden telkens verder op te splitsen, hebben die hervormingen rechtstreeks of onrechtstreeks een groot aantal nieuwe overheidsfuncties gecreëerd. Ze hebben ook geleid tot versnippering van middelen en tot efficiëntieverlies op verschillende niveaus van het beleid. Het hoge aandeel overheidsjobs in België heeft dus ook te maken met de sterke groei van administraties en politieke mandaten, vaak buiten verhouding tot het aantal inwoners. Veel bevoegdheden werden gesplitst zonder duidelijke meerwaarde, maar met hogere kosten voor het beleid tot gevolg. Buitenlandse handel en kinderbijslag zijn daar bekende voorbeelden van, al zijn ze zeker niet de enige. Volgens een grafiek die De Wever zelf opneemt (p. 118), gaat 27,8 procent van de federale begroting naar de financiering van gemeenschappen en gewesten. Onder druk van nationalisten uit zowel het noorden als het zuiden is België zo uitgegroeid tot de logge en inefficiënte staat die nationalist De Wever vandaag zelf bekritiseert.

Europese Unie en Benelux

De eerste minister eindigt zijn boek met een uitgesproken pleidooi voor Europa en voor de Benelux. Meer vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen binnen de Europese Unie. Meer concrete samenwerking tussen België, Nederland en Luxemburg in een hernieuwde Benelux (p. 131-141). Het is een constructieve visie op de toekomst waar moeilijk bezwaar tegen te maken valt.

Maar tegelijk pleit De Wever – geïnspireerd door zijn bewondering voor Singapore – voor een verdere ontmanteling van België (p. 127). Op Europees niveau wil hij meer integratie en minder nationale regels die de interne markt hinderen. Binnen België pleit hij dan weer voor meer concurrentie tussen de deelstaten. Met andere woorden: externe grenzen afbouwen, maar interne grenzen versterken. Vrij verkeer in Europa stimuleren, maar het moeilijker maken tussen de deelstaten van het Koninkrijk. Alleen een nationalist die door zijn afkeer van België verblind is, kan de tegenstrijdigheid tussen deze standpunten ontkennen.

“Voor Vlaanderen. Voor Wallonië. Voor Europa. Voor Welvaart.” Zo luidt de conclusie van het boek. Dat België of Brussel in die slotzin niet voorkomen, lijkt weinig toevallig.

Rechtsstaat

Positief is wel dat Bart De Wever zich in zijn boek uitdrukkelijk uitspreekt voor de rechtsstaat (p. 91). Dat was niet altijd zo. Ooit opperde hij nog dat de staat “para-legaal” kon worden hervormd, buiten het grondwettelijke kader om. Men kan alleen hopen dat ook eerste minister De Wever die overtuiging consequent toepast. Bijvoorbeeld door de leden van zijn regering eraan te herinneren dat arresten van het Grondwettelijk Hof moeten worden uitgevoerd – en dat ministers niet kunnen kiezen welke uitspraken hen wel of niet bevallen.

Een trompe-l’oeil

Het recente essay van Bart De Wever is dus niet alleen een boek over welvaart. Het is ook een vorm van trompe-l’oeil. De lezer denkt een analyse te beginnen over economische visie en welvaart, maar belandt gaandeweg in het zoveelste separatistische of “confederalistische” pamflet van de voormalige N-VA-voorzitter. De voorgestelde confederale oplossingen bieden nochtans geen duurzaam antwoord op de geschetste problemen. Ze zullen het staatsapparaat alleen maar verder doen aangroeien en de administratieve complexiteit vergroten waarvan Belgen en hun ondernemingen dagelijks de bittere ervaring ondervinden.

Wat België meer dan ooit nodig heeft, is eerder het tegenovergestelde: een rationalisering van de instellingen. Bevoegdheden opnieuw federaliseren waar dat zinvol is, gewesten en gemeenschappen enkel verantwoordelijk laten voor domeinen waar ze echt een meerwaarde bieden, orde scheppen in de Brusselse instellingen, een hiërarchie van normen invoeren en een federale kieskring creëren. En tegelijk een ambitieus beleid voeren om tweetaligheid actief te bevorderen.